Balans docentencorps ∴ gerichtheid op onderzoek en ontwikkeling

Balans docentencorps: gerichtheid op onderzoek en ontwikkeling. Hoe houd je de balans tussen de meer op vakmanschap gerichte docenten en de docenten die meer op onderzoek en ontwikkeling gericht zijn?

Het eerste type

Het eerste type is een docent en beroepsbeoefenaar die de houding ‘zo doe je dit of zo maak je dit nu eenmaal’ heeft. En die zienswijze en benadering vervolgens wil overdragen op studenten. Een dergelijke docent richt zich op vakmanschap, op het beheersen van het ambacht. Zo’n docent zal ook meestal lesgeven in de eerste jaren van een kunst- of ontwerpopleiding. Het accent ligt op het aanleren van vaardigheden. In extreme gevallen kan een dergelijke docent zelfs wars zijn van enige reflectie. Van nadenken over en inzicht krijgen in het eigen maakproces. Sterker nog, ze zijn er soms zelfs bang voor omdat het idee (nog steeds) heerst dat reflecteren de inspiratie om zeep zal helpen.

Het tweede type

Balans docentencorps: gerichtheid op onderzoek en ontwikkeling. Het tweede type docent zal van nature meer op het niveau van ontwerpen zitten. Ze zal bijvoorbeeld meer de neiging hebben om dingen uit te proberen in haar beroepspraktijk. ‘Uitproberen’ in de zin van met opzet een andere aanpak hanteren in een project. Een andere methode gebruiken om tot materiaal te komen, etc. Deze docent zal zich realiseren dat een docentenpraktijk de mogelijkheid biedt om in aanraking te komen met tal van andere benaderingen en manieren van werken. Dit door het werken met studenten en het samenwerken met collega-docenten. Benaderingen en manieren van werken die ze vervolgens weer kan gebruiken in haar eigen beroepspraktijk. En een docentenpraktijk biedt ook de mogelijkheid voor onderzoek naar die verschillende benaderingen en manieren van werken. In hoeverre het daadwerkelijk komt tot een combinatie van haar onderwijs-, onderzoeks- en beroepspraktijk is dan afhankelijk van de inhoudelijke verwevenheid van die drie praktijken. Die verwevenheid is wel vereist aangezien het anders simpelweg niet haalbaar is.1Uiteraard zijn ook andere factoren van belang zoals het carrièreverloop van die docent: combinaties van praktijken en interesses kunnen en zullen door de tijd heen regelmatig veranderen.

Voorbeeld

Balans docentencorps: gerichtheid op onderzoek en ontwikkeling. Een interessante case deed zich in dit opzicht voor bij HKU Muziek en Technologie. Een docent A die jaren lang duidelijk voldeed aan het hierboven beschreven eerste profiel (een docent met een zeer pragmatische insteek die een docent- en beroepspraktijk combineerde) kwam uiteindelijk tot het inzicht dat zij er profijt van kon hebben om onderzoek te doen. Wel onderzoek dat dan haar beroepspraktijk zou betreffen. In dat onderzoek dat tot een MMus-graad leidde werd zij begeleid door een tweetal docenten B en C. B had een gecombineerde praktijk (onderwijs-, beroeps- en onderzoekspraktijk). En C combineerde een onderwijspraktijk met een onderzoekspraktijk (en was een van de ‘dragers’ van het onderzoek binnen HKU Muziek en Technologie).

Combinatie

Die combinatie van de onderzoekende docent A met haar twee begeleiders B en C zorgde ervoor dat enerzijds het onderzoek nieuwe en bruikbare inzichten opleverde voor de beroepspraktijk van A. En dat zij anderzijds het onderzoek op een juiste wijze uitvoerde dankzij de begeleiding van haar twee collega’s. C moest zich daarbij zien te verplaatsen in A’s positie wat lastig voor hem was aangezien hij zelf geen beroepspraktijk had. Maar C kon wel de juiste vragen stellen qua onderzoeksaanpak en –systematiek vanuit zijn ervaring. A had in feite als eis dat het onderzoek haar ‘iets’ zou opleveren voor haar beroepspraktijk. Zij kon deze eis als criterium inzetten bij het onderzoek. Maar zij werd ‘gedwongen’ door B en C om het onderzoek op een effectieve manier te doen zodat de conclusies ook inderdaad relevant zouden zijn voor de beroepspraktijken van anderen in haar vakgebied.

Balans

Balans docentencorps: gerichtheid op onderzoek en ontwikkeling. Beide types docenten zijn nodig in een opleiding. Het eerste type om de benodigde ambachtelijkheid aan te brengen. Het tweede type om voor ‘beweging’ in de vorm van onderzoek & ontwikkeling te zorgen. De verhouding tussen de twee types in getalsmatig opzicht zal, naast de parameters uit de andere artikelen, het karakter van de opleiding bepalen. Is dat meer gericht op ambachtelijkheid? Of meer op voortdurende ontwikkeling, op beweging?

 

Ga terug naar het overzicht van alle artikelen over balans in het docentencorps.

Voetnoten

  • 1
    Uiteraard zijn ook andere factoren van belang zoals het carrièreverloop van die docent: combinaties van praktijken en interesses kunnen en zullen door de tijd heen regelmatig veranderen.

IJzermans, Jan J. & Machielse, Rens (2026) De kunst van ontwerponderwijs. https://dekunstvanontwerponderwijs.nl/balans-docentencorps-gerichtheid-op-onderzoek-en-ontwikkeling/