Uitgangspunten ∴ toetsen


Uitgangspunten: toetsen.
Stel je neemt je iets voor. Vervolgens ga je niet kijken wat er gebeurt als het uitgevoerd wordt of wat je daarvan kan leren. Beetje raar.
Gebeurt echter toch heel vaak. Het voornemen is vaak gebaseerd op idealisme. Je weet al dat je idee in orde is. Het moet alleen nog worden uitgevoerd. Dan is het goed.

Dat is een heel andere manier van werken dan naar bevind van zaken werken. Ook dan neem je je iets voor maar vooral om te kijken wat er gaat gebeuren, om in beweging te komen of te blijven. Bij het ‘idealistische voornemen’ gaat het dus vooral om het voornemen terwijl het bij naar bevind van zaken werken vooral gaat om iets te gaan doen en te kijken wat je daarvan kan leren. Het zou te kort door de bocht zijn te zeggen dat het er eigenlijk niet toe doet wat je je voorneemt. Het voornemen is namelijk mogelijk al gebaseerd op toetsing of je hebt al een beetje gekeken wat er tot nu toe door anderen is gedaan en dat proberen te betrekken op wat jullie lijken te willen.

Kijken wat er gebeurt

Uitgangspunten: toetsen. Kijken wat er gebeurt met een voornemen is dus op z’n minst zo belangrijk als wat je je hebt voorgenomen, met hoeveel moeite dat laatste misschien ook tot stand is gekomen. Dit kijken noemen we toetsen. Een voornemen of uitgangspunt voor het werken moet getoetst kunnen worden. Mogelijk moet je het werk zo inrichten dat het ook daadwerkelijk getoetst wordt.

Als je naar bevind van zaken werkt, toets je bij voortduring. Hieronder richten we ons op het toetsen van voornemens die over een langere periode lopen.

Het toetsen bestaat allereerst uit het kijken of hetgeen je je hebben voorgenomen werkt zoals verondersteld. Vervolgens onderzoek je met alle betrokkenen wat de ervaringen waren en wat er beter kan of anders moet en zo pas je je voornemen aan, soms ingrijpend want de uitvoering kan inzichten brengen die niet op een andere manier verkregen kunnen worden. In de volgende cyclus van het onderwijs ga je aan de slag met het aangepaste of een nieuw voornemen.

Enkele voorbeelden
Voorbeeld 1 – Toetsen of het onderwijs en de onderwijsontwikkeling ook werkelijk werken

Uitgangspunten: toetsen. Als het onderwijs voortdurend doorontwikkelt is er geen verschil tussen het toetsen van het onderwijs en het toetsen van de onderwijs­ontwikkeling. Zie hiervoor het artikel Curriculumontwerp ∴ Toetsen en doorontwikkelen.

Alleen bij nieuwe of sterk veranderde onderdelen is er meer aandacht en alertheid bij de initiatiefnemers en betrokkenen zoals bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van adaptieve compositie en sound design.

Voorbeeld 2 – Toetsen of de (door)ontwikkeling van het curriculum ook werkelijk werkt

Het curriculum moet in beweging blijven. Het is een middel geen wet. Maar het moet wel getoetst blijven worden aan hetgeen het wil bewerkstelligen. Zie hiervoor het artikel Curriculumontwerp ∴ kernvragen en toetsing.

Voorbeeld 3 – Toetsen of de organisatie adequaat kan werken

Uitgangspunten: toetsen. De nadruk op doorontwikkeling en samenwerking kan een wissel trekken op de organisatie. Het vereist een vorm van hygiëne. Een voornemen kan nog zo fraai zijn, het moet wel kunnen worden uitgevoerd. De organisatie onvoldoende betrekken bij een voornemen is niet slim want creëert dubbele shit. De boel loopt organisatorisch mis: niet leuk voor de betrokkenen en je voornemen komt niet uit de verf. Om dergelijke haperingen te ondervangen dienen er mechanismes ingebouwd te zijn zoals samenwerking tussen docenten in hetzelfde vakgebied maar ook een besluitvorming waar de relevante docenten en medewerkers bii betrokken zijn.

Voorbeeld 4 – Toetsen wat de afgestudeerden werkelijk doen

Uitgangspunten: toetsen. Een voorbeeld dat buiten de (half)jaarlijkse cyclus van het onderwijs ligt, is het volgen wat er met de afgestudeerden gebeurt. Een opleiding moet inzicht hebben in wat de uiteindelijke ‘uitkomsten’ zijn van haar werk door te meten hoe het alumni vergaat in de buitenwereld. Hoeveel mensen doen na hoeveel jaar welke werkzaamheden op welk gebied?

Een van de kernpunten bij de (door)ontwikkeling van een ontwerp- of kunstopleiding is wat de werking van de opleiding moet zijn en, vervolgens, is. Wat moet de opleiding opleve­ren, wie moet de opleiding afleveren? Er wordt gekeken naar de professionals en, later, afgestu­deerden die in de voorhoede van de werkvelden werkzaam zijn en naar de factoren die bepalen hoe de werkvelden veranderen. Dat beeld wordt voortdurend bijgesteld en gebruikt om terug te kunnen redeneren wat er in de opleiding nodig is.

Het voornemen ziet er ongeveer als volgt uit.
We willen afgestudeerden afleveren die zich in redelijk korte tijd een plek weten te verwerven in de werkvelden. Dat kan zijn in ‘ons vakgebied’, de aanpalende vakgebieden of elders. We verwachten niet dat iedere afgestudeerde in ‘ons vakgebied’ of aanpalende vakgebieden terechtkomt maar willen wel dat het aantal afgestudeerden dat elders terechtkomt klein is.

Vervolgens ga je van alle afgestudeerden bijhouden wat voor werk ze doen. Dat lijkt moeilijker dan het is. Vaak hebben de afgestudeerden bij afstuderen al werk (NB: ‘werk’≠’baan’). Je schrijft dat op en uit wat voor werkzaamheden het bestaat. Om de twee, drie jaar doe je een rondje onder alle afgestudeerden wat voor werk ze hebben en uit welke soort werkzaamheden dit bestaat. Dit gaat via sociale media en vervolgens met degenen die nog niet reageerden via telefoon. Je hebt ook contact met de alumni via docenten, andere alumni, werkgroepen en projecten. Als er een verandering naar voren komt in het werk van de alumnus, wordt dit even doorgegeven en in het register opgenomen. Verder zorg je dat er af en toe reunies van afgestudeerden worden georganiseerd rond zo’n rondje.
Een enkele afgestudeerde wil hier niet aan mee werken, een andere verlies je uit het oog. Dit is niet zo erg daar een 100%-dekking nodig noch haalbaar is. In ons geval zitten we door de mix van manieren om aan gegevens te komen steeds boven de 90%.

Wij hebben vanaf het begin getoetst hoe goed de opleiding Muziektechnologie de student voor­be­reidt op de werkvelden door bij te houden wat de afgestudeerden voor werk deden, in welke bedrijfs­vorm en voor welke contexten. Het gaat daarbij niet om specifieke beroepen die de alumni uit­oefenden, maar om de (combinatie van) werkzaamheden.

Hierboven staan de gegevens van 98% van de afgestudeerden van de eerste 10 jaar dat we afgestudeerden afleverden. Met deze gegevens konden we toetsen of we goed bezig waren met de afstudeerrichtingen die we hadden, de projecten die we deden en de ontwikkelingen waar we bij betrokken waren.
Er bleek bijvoorbeeld dat 85% van alle afgestu­deerden werkzaam waren in het veld waarvoor we ze hadden opgeleid. De soorten werk informeerde ons onder andere over de hoeveelheden toelatingen die we konden doen per vakgebied. De meest voorkomende combinaties van soorten werk (niet in bovenstaande opgenomen) gaven een indruk van de combinaties die we in projecten aan de orde zouden kunnen stellen. Vijf jaar later konden we deze getallen vergelijken met de nieuwe maar ook de laatste vijf jaar afgestudeerden vergelijken met die van de eerste tien jaar. De tendenzen in dat laatste waren interessant voor de doorontwikkeling van de eindstudie en voor de keuzes die studenten in de studie maken. Voor de duidelijkheid, deze getallen zijn niet leidend maar je houdt er rekening mee bij je voornemens voor doorontwikkeling.

Ga terug naar het overzicht van alle artikelen over uitgangspunten.

IJzermans, Jan J. & Machielse, Rens (2026) De kunst van ontwerponderwijs. https://dekunstvanontwerponderwijs.nl/uitgangspunten-toetsen/