Didactische uitgangspunten ∴ beoordelen
Didactische uitgangspunten: beoordelen. Beoordelen is een wezenlijk aspect van opleiden. Het werk van de student en haar reflectie op het maakproces en de gebruikte manieren van werken moeten samen een consistent geheel vormen, dat ook in samenhang moet worden beoordeeld. In dit artikel kijken we naar drie uitgangspunten achter beoordelen en hun samenhang met enkele didactische uitgangspunten die voor de hele opleiding van belang zijn.
Uitgangspunten bij beoordelen
Een eerste uitgangspunt bij beoordelen is dat het werk van de student zich uiteindelijk moet kunnen verhouden tot het gangbare niveau in het werkveld. Concreet betekent dit dat het werk dat tot stand komt tijdens het laatste studiejaar en dat gepresenteerd wordt tijdens de eindbeoordeling, het eindexamen, overeind blijft in vergelijking met vergelijkbaar werk uit het werkveld. Een opleiding heeft dan als taak de student zodanig te onderwijzen en te begeleiden dat het werk van de student aan die eis kan voldoen. De didactiek die ingezet wordt zal daar dus op gericht moeten zijn.
Een tweede uitgangspunt is dat de student in staat moet zijn om te reflecteren op haar werk, haar maakproces en haar manieren van werken. Reflecteren, daarvan leren, ervaringen en conclusies meenemen in een volgende stap of een volgend project is immers de manier om jezelf te ontwikkelen als maker. Een student moet deze vaardigheden demonstreren bij beoordelingen gedurende de studie. De student zal dit dus moeten leren en de didactiek die ingezet wordt zal daar dus ook op gericht moeten zijn.
Een derde uitgangspunt bij beoordelen is dat die twee, het werk en de reflectie, onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Als een student kwalitatief goed werk maakt maar niet in staat is tot enige vorm van reflectie zal die student binnen afzienbare tijd ondervinden dat zij ‘links en rechts wordt ingehaald’ door allerlei ontwikkelingen op bijvoorbeeld technologisch gebied. Zij zal dan niet in staat zijn om te reageren op die ontwikkelingen door haar maakproces en haar manier van werken aan te passen. Aan de andere kant kan een student reflecteren tot ze een ons weegt maar als haar werk niet voldoen aan de standaard die gangbaar is in het desbetreffende werkveld zal ze ook niet overeind blijven. De didactiek die ingezet wordt tijdens de opleiding zal dus ook gericht moeten zijn op de verbinding tussen het werk en het kunnen reflecteren op dat werk, het bijbehorende maakproces en de verschillende manieren van werken die de student kan inzetten om tot een werk te komen.
Consequenties van deze uitgangspunten voor de didactiek
De drie uitgangspunten bij beoordelen leiden tot consequenties voor de didactiek, tot didactische uitgangspunten. Didactiek zal gericht moeten zijn op het niveau van het werk, op de reflectie op het werk en bijbehorende maakprocessen en manieren van werken, en op de samenhang tussen die twee. Ongetwijfeld zullen er opleidingen zijn die veel meer aandacht voor het werk hebben in verhouding tot de reflectie maar je kunt je niet voorstellen dat er opleidingen zijn die alleen maar op het werk letten.
Hoe werkt dit nu in de praktijk?
De drie didactische uitgangspunten gelden uiteraard voor de gehele opleiding en vormen, samen met de andere didactische uitgangspunten, de basis voor de didactiek die gedurende de opleiding wordt ingezet. Zij komen specifiek tot uitdrukking tijdens beoordelingen door de opleiding heen. Een beoordeling van het werk, de reflectie en de samenhang tussen die twee ‘werkt’ omdat een student ‘open’ zal staan voor feedback gezien het belang van een beoordeling voor een student. Zij kan inzicht krijgen in de verschillende aspecten van die twee onderdelen en hun samenhang. Juist tijdens een beoordeling komen die twee onderdelen in samenhang aan de orde daar waar ze tijdens het verloop van, bijvoorbeeld, een project in de begeleiding vaak apart of in een bepaalde volgorde aan de orde komen.
Voorbeeld eindstudie
Tijdens een project staat het artefact in eerste instantie zelf vaak op de voorgrond door bijvoorbeeld overleg met een opdrachtgever en het aanwezig zijn van een dwingende deadline en is er vaak sprake van reflectie op slechts een specifiek onderdeel van het maakproces. Reflectie op het gehele maakproces en de manier van werken vraagt om enige afstand en tijd en is daarmee bij uitstek een onderwerp tijdens de beoordeling waar dan ook de koppeling met het werk plaats vindt. De student krijgt dan op allerlei details en aspecten van het werk, reflectie en samenhang feedback van een beoordelingscommissie die vaak samengesteld is uit een combinatie van docenten en externen. Als student zul je dus de nodige waarde toeschrijven aan het oordeel van deze commissie omdat ze vanuit verschillende perspectieven naar jouw werk en jouw reflectie kijken.
Voorbeeld begin van de studie
Een ander voorbeeld is een klassikale eerstejaars module met als opdracht het programmeren van een toongenerator. Een toongenerator die op een bepaalde voorgeschreven manier zal moeten werken plus de programmeercode die de student heeft geschreven. Een schriftelijke beschrijving van de aanpak die ze gehanteerd heeft is dan de reflectie op eerstejaars niveau. Bij een dergelijke module wordt bij de beoordeling gekeken naar het werk van de student: werkt de toongenerator op de voorgeschreven manier? Zo niet, dan heeft de student de module niet behaald. Uit de programmeercode plus de beschrijving van haar aanpak die de student ook moet inleveren blijkt waar de student mogelijk een of meerdere fouten heeft gemaakt. Dat kan de docent aangeven in de beoordeling. De didactische inhoud is hier dus simpeler in vergelijking met een afstudeerproject wat ook logisch is aangezien het hier om een kleine eerstejaars module gaat. Het basisprincipe blijft echter hetzelfde: de student zal ‘open’ staan voor feedback omdat het hier om een beoordeling gaat. En ze krijgt in dit geval heel concrete feedback. De docent geeft aan welke fouten er in de code zitten en welke mogelijke denkfouten zij gemaakt heeft tijdens het schrijven van de code die geleid hebben tot de uiteindelijke foute code.
Kijken we naar het begin van een opleiding zien we de drie didactische uitgangspunten ook terug bij de toelating. Ook daar zal het werk van de potentiële student ter sprake komen evenals de reflectie die zij kan geven over de totstandkoming van haar toelatingswerk. Dit alles uiteraard op het niveau van een beginnend student. Er is dus een consistente lijn te trekken tussen toelating en eindexamen als het gaat om deze didactische basisprincipes. Principes die specifiek tot uitdrukking komen tijdens de diverse beoordelingen tijdens een opleiding maar, zoals gezegd, door de gehele opleiding toegepast worden.
Conclusie
We zien dus dat de uitgangspunten bij beoordelen leiden tot didactische uitgangspunten die voor de gehele opleiding gelden. De beoordelingen zelf hebben juist een didactische waarde omdat de student op die momenten ‘open’ zal staan voor feedback. Afhankelijk van het moment in de opleiding, de vorm en inhoud van de lesmodule zal die didactische waarde groter of kleiner zijn. De drie uitgangspunten (het werk, reflectie en de samenhang daartussen) zijn dan op het niveau van de opleiding dus bij de toelating en in het eerste studiejaar relatief simpel en bij een afstudeerproject complex qua vorm en inhoud.
