Didactische uitgangspunten ∴ leren door doen en ervaren
Didactische uitgangspunten: leren door doen en ervaren. Doen en ervaren zijn de belangrijkste onderdelen van leren. Het daadwerkelijk zelf ervaren hoe iets werkt, hoe je iets kunt maken is ook in lijn met het werken als kunstenaar of ontwerper. Er kunnen allerlei theoretische ideeën en concepten ten grondslag liggen aan een kunstwerk of ontwerp maar uiteindelijk zullen de beslissingen door de desbetreffende kunstenaar of ontwerper tijdens het maakproces genomen worden op basis van wat ze op dat moment ervaren en eerder hebben ervaren. Het begint wel met doen want als je niks doet kun je ook niks ervaren. De componist Louis Andriessen zegt daar het volgende over.
En toch begin je maar op een goed moment, je schrijft iets op zonder dat er sprake is van een inval. Je moet nu eenmaal eens op die fiets stappen en gaan fietsen. Het opheffen van het been kost, zonder overdrijving, een ongehoorde hoeveelheid inspanning, maar als je op zekere ochtend dan eindelijk iets opschrijft – en dat is dan meestal nog fout ook, inval of geen inval – dan ben je eindelijk aan het fietsen, in elk geval méér dan wanneer je náást je fiets staat.1Elmer Schönberger in gesprek met Louis Andriessen. Over het ontstaan van ‘De Tijd’. Hoe componeert de componist 1. De Revisor 8 (1981): 29.
Kopje
Didactische uitgangspunten: leren door doen en ervaren.
Ondersteunen en sturen
Didactische uitgangspunten: eigen koers student. Een volgende vraag is wanneer wij de ontwikkeling van de eigen koers van de student ondersteunen en wanneer wij die ontwikkeling sturen? Het eerste studiejaar is bij de meeste opleidingen het jaar waar de nodige kennis en ervaring opgedaan moet worden als het gaat om de basis van het vakgebied. Een student is daar nog volop aan het ontdekken, uitproberen, oefenen, ervaren, leren, etc. Ze zal nog geen of weinig begrip hebben van mogelijke toepassingen en contexten. En ze weet nog niet wat ze niet weet. In deze beginfase is het dan ook niet zinvol om een student haar eigen studietraject te laten bepalen. Hier is het de opleiding die de regie voert. Belangrijk is wel dat die regie de student voorbereidt op het maken van eigen keuzes verderop in de studie. Zij moet er voor zorgen dat bijvoorbeeld een student product design daadwerkelijk ervaart – op eerstejaars niveau – wat product design inhoudt maar ook wat andere vakgebieden die op de een of andere manier ‘raken’ aan product design inhouden. Dit laatste natuurlijk tot op zekere hoogte gezien de beschikbare tijd maar bijvoorbeeld twee projectperiodes van elk drie weken waarin een student samenwerkt met studenten uit die andere vakgebieden kunnen al een ervaring opleveren die tot nieuwe inzichten leidt.
Studieplan
Vanaf het tweede studiejaar kan er wel een eerste eigen voorzichtige koers uitgezet worden in die zin dat een student bepaalde keuzes kan maken die ze moet motiveren en die ook ondersteund worden door haar werk uit het eerste jaar. Dit principe – het kunnen onderbouwen van keuzes en de ondersteuning van die keuzes door het werk – kan door de gehele opleiding heen gebruikt worden. Zo kan ieder studiejaar eindigen met een studieplan van de student voor het volgende studiejaar dat zij voorlegt aan een commissie van docenten die haar kritisch bevraagt over haar studieplan, het plan uiteindelijk goedkeurt, of ten dele goedkeurt met huiswerk voor de student, of afkeurt met de opdracht om met een nieuw en beter gefundeerd plan te komen. Bij het wijzigen of opnieuw formuleren van het studieplan kan een student dan eventueel begeleiding krijgen van een docent.
Moet een student alles kunnen kiezen?
Het antwoord daarop is nee. Daar zit een praktische component aan: je kunt simpelweg niet alles zo roosteren dat iedere student altijd alles kan kiezen. En er zit, belangrijker, een inhoudelijke component aan. Als de keuze helemaal vrij zou zijn en alle keuzes zouden mogelijk zijn komt de keuze van een student al snel neer op het samenstellen van een pretpakket: “doe mij maar alles wat ik leuk vind.”2Zie ook hier. Dit stelt dus eisen aan de opleiding. Die kan sturend zijn bij het studieplan door het bepalen van de (on)mogelijkheden qua keuze.
Hoe richt je dit curriculair in?
Didactische uitgangspunten: eigen koers student. De keuzemogelijkheden zullen dus door de opleiding bepaald moeten worden. Als je als opleiding het ontwikkelen van een eigen koers door de student serieus neemt zul je daar ook de nodige keuzemogelijkheden voor moeten creëren. Die zullen zoveel mogelijk realistische profielen moeten kunnen faciliteren: (toekomstige) beroepspraktijken die je ziet in of kunt verwachten voor het werkveld en die gebaseerd zijn op bovengenoemde mogelijke combinaties van vaardigheden. Een voorbeeld hoe je dit kunt inrichten:
Hoe kunnen docenten dit ondersteunen?
Didactische uitgangspunten: eigen koers student. Voor docenten is het belangrijk dat ze beseffen dat de interactie tussen docent en student in de loop van de studie verandert. In het eerste jaar heb je de regie als docent in die zin dat jij dan nog bepalend bent. Je vertelt in feite hoe de wereld in elkaar zit en je hebt de wijsheid in pacht. In de latere jaren krijgt de student steeds meer een eigen inbreng en moet je daar als docent voor openstaan. Gerard van Wolferen formuleert een en ander als volgt:
In het docentencorps van Muziek en Technologie is geen plek voor diva’s en goeroes. Het ego dient opzij gezet te worden in het belang van de kwaliteit van het onderwijs, dat ontwikkelingsgericht van aard is. Dat is echt een kwaliteit die je nodig hebt om goed te kunnen functioneren binnen het team. Nieuwe docenten zou Gerard daarom als volgt briefen:
“We verwachten niet dat je hier komt om je vak te geven, maar om een student te begeleiden in zijn ontwikkeling. Dus dat betekent dat je je ook ontvankelijk moet opstellen. Dat je moet proberen te begrijpen wie die student is. En wat hij wil, wat hij kan.”
Bij Muziek en Technologie wordt het niet getolereerd als docenten hun eigen ‘winkeltje’ openen. Gerard geeft aan: “Het grootste geheel wat we hebben is de hele opleiding. En als je als docent weet wat je eigen plaats is binnen het geheel, dan kun je optimaal én naar eigen inzicht werken.”
Als een docent daarentegen te veel zijn ‘eigen ding’ gaat doen of – erger nog – zijn wil gaat opleggen aan anderen, dan kan daar in het team behoorlijk allergisch op gereageerd worden. Vervolgens kunnen er twee dingen gebeuren: of die persoon gaat weg, of hij blijft, maar stopt met solistisch te opereren.
In de latere studiejaren staat niet meer de vakinhoud voorop maar staat het persoonlijke pad van ontwikkeling van iedere student centraal. Als docent heb je dan niet meer per se de wijsheid in pacht maar kijk je wat een student inbrengt. En daar reageer je op vanuit jouw kennis en ervaring. Op die manier ondersteun en begeleid je een student in haar ontwikkeling.
Wat vraagt dit van de student zelf?
Didactische uitgangspunten: eigen koers student. De praktijk laat zien dat niet iedere student in staat is om tijdens haar studie al een eigen koers uit te zetten en daarmee haar eigen ontwikkeling in gang te zetten. Bij de ene gaat dit gemakkelijker en/of sneller dan bij de andere wat vaak ook te maken heeft met de persoonlijke ontwikkeling die gelijktijdig plaats vindt. Er is een grote variatie onder studenten als het gaat om die persoonlijke ontwikkeling. Soms zie je een student die al moeite heeft om iets als een agenda bij te houden, om op tijd te komen op afspraken, om te ‘leveren’ en soms zie je een student die dit al vanaf haar eerste studiejaar in de vingers heeft. Het eerste type zal de nodige moeite hebben met het ontwikkelen van die eigen koers omdat ze al haar handen vol heeft aan bijvoorbeeld ‘het leven’ op zich. Begeleiding is dan hard nodig, niet alleen van docenten maar bijvoorbeeld ook van een tutor die met name de student in die persoonlijke ontwikkeling kan ondersteunen.
Conclusie
Didactische uitgangspunten: eigen koers student. Het ondersteunen van de ontwikkeling van een eigen koers van/door de student is een belangrijk didactisch principe. Belangrijk omdat het kunnen ontwikkelen van een eigen koers essentieel is om de eigenheid van de student te ontwikkelen en daarmee in het werkveld te kunnen functioneren. De opleiding moet daarbij een actieve rol spelen door de regie te houden. Zij bepaalt de keuzemogelijkheden en toetst de studieplannen van de student. Vermeden moet worden om kiezen mogelijk te maken op het moment dat de student onvoldoende overzicht en feeling voor het vakgebied heeft of keuzes die buiten de in het curriculum aanwezige keuzemogelijkheden vallen onvoldoende kan onderbouwen. In toenemende mate gedurende de studie komt de individuele ontwikkeling van de student centraal te staan gebaseerd op de eigen koers die de student aan het ontwikkelen is met hulp en feedback van docenten. Het niveau, de precisie, de onderbouwing, etc. van die eigen koers in de vorm van het studieplan zal steeds specifieker en gedetailleerder worden gaandeweg de opleiding. Dit omdat de student zelf steeds meer ervaring, inzichten en reflecterend vermogen opdoet.
Voetnoten
- 1Elmer Schönberger in gesprek met Louis Andriessen. Over het ontstaan van ‘De Tijd’. Hoe componeert de componist 1. De Revisor 8 (1981): 29.
- 2Zie ook hier.
