Didactische uitgangspunten ∴ theorie- en praktijkdocenten


Didactische uitgangspunten – theorie- en praktijkdocenten.
Onderscheid tussen theorie- en praktijkdocenten komt veel voor in het kunstonderwijs, een hardnekkig fenomeen. Als het gaat om de studenten, is het even onzinnig als verwarrend om dit onderscheid te maken. Een student op een kunst- of ontwerpopleiding is gericht op maken. Het is dus van belang voor die student om in eerste instantie zelf alles te ervaren en te weten te komen over maken door – uiteraard – zelf te maken en daarnaast te kijken hoe anderen maken, terugkoppeling te krijgen, er over te discussiëren, te lezen, te onderzoeken, etc. Waarom zou hiervoor een speciale theoriedocent nodig zijn? De professionele makers uit de werkvelden die ook een onderwijspraktijk hebben, hebben door de jaren heen zelf ‘theorie’ ontwikkeld zoals in deze reeks beschreven wordt. Zij moeten zich immers in allerlei opzichten kunnen verhouden tot de vraag ‘hoe maak je een ontwerp, een kunstwerk?’

Iedereen is op de een of andere manier betrokken bij theorie en theorievorming

Een dergelijke maker/docent kan dus prima inzicht geven in haar ‘theorie’ tijdens – bijvoorbeeld – de begeleiding van een (praktijk)project. Aangezien het altijd om een persoonlijke ‘theorie’ zal gaan is het wel van belang dat de student met meerdere ‘theorieën’ dus met meerdere docenten geconfronteerd wordt. De student krijgt dan inzicht in verschillende maakmethodes, bijbehorende bronnen qua repertoire, contexten, etc. Op die manier kunnen makers, in tegenstelling tot een zogenaamde theoriedocent die zelf geen maker is, ook als geen ander de onmisbare verbinding maken tussen ‘theorie’ en ‘praktijk’ omdat zij beide in zichzelf verenigen.

Overzicht theorie

Didactische uitgangspunten – theorie- en praktijkdocenten. Naast deze theorievorming tijdens de begeleiding, bijvoorbeeld van een project, kan er ook sprake zijn van specifieke lessen of seminars gericht op ‘theorie’. In dat soort lessen en seminars kunnen bovengenoemde makers gerichter ingaan op hun repertoires. Wat zij daar belangrijk in vinden en waarom. Hoe zij tot hun maakmethode(s) zijn gekomen. In welke contexten zij opereren, etc. Het kan eventueel handig zijn als een van de docenten een (soort van) overzicht geeft van die verschillende repertoires en maakmethodes zodat de mogelijke verbindingen en wederzijdse invloeden zichtbaar worden. Vaak zal er een overlap zijn tussen de docenten die samen een dergelijke lesreeks verzorgen waardoor die verbindingen en invloeden op die manier al zichtbaar(der) worden.

Voorbeeld

Bij HKU Muziek en Technologie zijn er in de eerste lesjaren een aantal lesreeksen Contexten & Repertoires waarin verschillende docenten met een beroepspraktijk inzicht geven in de verschillende contexten waarbinnen ze werken. Welke repertoires zij belangrijk vinden. En hoe ze zich daartoe verhouden, hoe ze maken, etc. In het eerste jaar gaat het met name om de contexten en repertoires om de studenten een idee te geven van de verschillende toekomstige werkvelden en wie en wat daar een belangrijke rol in spelen en hebben gespeeld. Vanaf het tweede jaar richten de lessen zich meer op manieren van werken, maakmethodes, etc. In de daaropvolgende lesjaren zijn er geen specifieke lesreeksen meer op dit gebied maar komen onderwerpen als maakmethodes, contexten en repertoire met name aan de orde tijdens de begeleiding van projecten.

Conclusie

Didactische uitgangspunten – theorie- en praktijkdocenten. We zijn dus voor bottom-up, niet top-down onderwijs van theorie. Iedereen is op de een of andere manier betrokken bij theorie en theorievorming. De enige soort theoriedocent die nodig is, is degene die de docenten en studenten helpt bij het maken, delen en toepassen van theorie maar deze docent wordt in het algemeen ‘onderzoeker’ genoemd.

IJzermans, Jan J. & Machielse, Rens (2026) De kunst van ontwerponderwijs. https://dekunstvanontwerponderwijs.nl/didactische-uitgangspunten-theorie-en-praktijkdocenten/