Balans docentencorps ∴ inbreng docenten

Balans docentencorps: inbreng docenten. In dit artikel kijken we naar de balans tussen wat docenten met verschillende arbeidsrelaties aan specifieke expertise en mogelijke ontwikkelingen inbrengen in het docentencorps. Het gaat dan om de inbreng op het gebied van werkveldpraktijk, onderzoek en ontwikkeling, en didactiek en organisatie door de docent die naast haar docentschap nog een externe beroepspraktijk heeft, de docent zonder een dergelijke praktijk, en de incidentele gastdocent.

Externe beroepspraktijk in combinatie met onderzoek en ontwikkeling

Balans docentencorps: inbreng docenten. Het merendeel van de docenten van een kunst- of ontwerpopleiding zal een externe beroepspraktijk hebben. Deze docenten kunnen de buitenwereld waarvoor wordt opgeleid – op een gemodereerde manier – naar binnen halen zodat de opleiding voldoende verbinding houdt met die buitenwereld. Die gemodereerde verbinding met de buitenwereld zal een deel van deze docenten combineren met onderzoek en ontwikkeling, deels extern, deels op de opleiding. Ze hebben er immers voor gekozen om – naast hun beroepspraktijk – ook docent te worden op hun vakgebied wat mogelijk betekent dat ze een positieve en open houding hebben ten opzichte van vakinhoudelijke ontwikkelingen. Een houding die het docentschap juist aantrekkelijk maakt voor professionals uit de beroepspraktijk. Het geeft immers de mogelijkheid voor onderzoek en ontwikkeling die ten goede kunnen komen van die beroepspraktijk.

Inbreng

Balans docentencorps: inbreng docenten. Een docent die beroepspraktijk en onderzoek combineert heeft een specifieke inbreng in het docentencorps. Een inbreng die gekarakteriseerd wordt door het, in feite, tweerichtingsverkeer tussen werkveld en opleiding.Enerzijds de werkveldpraktijk gemodereerd naar binnen brengen, anderzijds relevant onderzoek weer naar het werkveld brengen en daar toepassen wat mogelijk zorgt voor ontwikkeling en innovatie. De docent met een beroepspraktijk die niet kiest voor onderzoek en ontwikkeling heeft een inbreng die zich meer kenmerkt door eenrichtingsverkeer: het gemodereerd naar binnen halen van een werkveldpraktijk.

Investeren

Balans docentencorps: inbreng docenten. Een docent met een beroepspraktijk zal ook tijd en energie moeten investeren op pedagogisch en didactisch gebied. Er is de verplichting voor iedere docent op een kunst- of ontwerpopleiding om een zogenoemde Basiskwalificatie Didactische Bekwaamheid te hebben. Los van deze verplichting is een positieve houding ten opzichte van het ‘jezelf ontwikkelen op pedagogisch en didactisch gebied’ ook gewoon noodzakelijk om relevant te blijven als docent. En om de aansluiting met studenten niet te verliezen.

Geen externe beroepspraktijk

Balans docentencorps: inbreng docenten. Daarnaast zijn er enkele docenten die geen beroepspraktijk in het werkveld hebben maar bewust hebben gekozen voor het docentschap. Zij hebben meestal al de benodigde didactische vaardigheden en kwalificaties. Dit zullen vaak docenten met een relatief grote aanstelling zijn omdat het docentschap hoogstwaarschijnlijk hun belangrijkste bron van inkomsten is. Hun inbreng is daarmee in eerste instantie een vorm van continuïteit binnen de opleiding. Ze zijn immers veel aanwezig, en daarmee goed te vinden en aanspreekbaar voor studenten en collega’s. Een deel van die docenten zal, afhankelijk van hun interesse en gerichtheid, een onderzoekspraktijk ontwikkelen. Zij richten zich bijvoorbeeld op het ontwikkelen van specifieke onderzoeksmethoden ten behoeve van het praktijkgericht onderzoek zoals dat plaats vindt op kunst- en ontwerpopleidingen. Of ze richten zich meer op het onderwijs zelf, de bijbehorende didactiek en pedagogie. Of op de (inhoudelijke) organisatie van de opleiding. Denk dan bij het laatste aan zitting nemen in een examencommissie. In een opleidingscommissie, het ontwikkelen van een beoordelingssystematiek, etc. Specifieke onderwerpen die horen bij het voortdurend ontwikkelen van een opleiding. En waarvoor niet gelijk de specifieke ervaring van een beroeps- of onderzoekspraktijk nodig is. De inbreng van deze docenten zal dus bestaan uit het brengen van continuïteit in een opleiding, continuïteit in onderzoek & ontwikkeling, het verder ontwikkelen van het onderwijs en/of van de onderwijsorganisatie zelf.

 

Gastdocent

Balans docentencorps: inbreng docenten. De laatste categorie is die van de gastdocent. Iemand met een (meestal) vakinhoudelijke specialisatie binnen het werkveld die een workshop of gastcollege komt geven over die specialisatie, of die eenmalig begeleiding geeft bij een specifiek project, e.d. Deze docent zal geen structurele inbreng hebben maar kan wel zorgen voor een impuls, een andere invalshoek of de bekende ‘verfrissende kijk’ op het vakgebied die mogelijk wordt opgepikt door het docentencorps.

Balans

Balans docentencorps: inbreng docenten. De inbreng van verschillende ‘soorten’ docenten is nodig voor een goed functionerend docentencorps. Een bepaalde mate van continuïteit is nodig, maar ook een diversiteit aan verbindingen met het werkveld en de buitenwereld, en nieuwe impulsen. In welke verhouding dit alles moet zijn hangt weer samen met andere factoren in de balans binnen een docentencorps. Het ‘voldoende verbinding houden met de buitenwereld’ is echter voor iedere kunst- en ontwerpopleiding dusdanig essentieel dat daar de nodige nadruk op zal liggen. Is die verbinding te weinig aanwezig dan zal een opleiding snel verstarren met alle gevolgen van dien.

 

Ga terug naar het overzicht van alle artikelen over balans in het docentencorps.

IJzermans, Jan J. & Machielse, Rens (2026) De kunst van ontwerponderwijs. https://dekunstvanontwerponderwijs.nl/balans-docentencorps-inbreng-docenten/